Intervaltraining: lekker kapotgaan?

Vroeger keek ik altijd op tegen mijn wekelijkse intervaltraining. Als ik thuiskwam, plofte ik voor dood op de bank. Ik daagde mezelf liever uit met een lange loop of een snelle 5k. De laatste tijd vind ik intervallen juist heerlijk. Lekker kapotgaan en je de volgende training gelijk alweer zoveel sterker voelen!

Want dat is het idee van intervallen: je lichaam keihard aan het werk zetten. Bij intervaltraining doe je tempowisselingen. Je rent bijvoorbeeld een minuut zo snel je kunt om vervolgens weer 2 minuten op je gewone tempo te lopen. Dat doe je meerdere keren achter elkaar. In plaats van op tijd, kun je ook een bepaalde afstand kiezen om te versnellen. Als je van tevoren nog een warming-up doet en na afloop een minuut of tien uitloopt, heb je een mooie training te pakken.

Wat levert het op? Door al die inspanning gooi je je hartslag voor een korte periode flink omhoog. Ook zet je per minuut vaak meer stappen als je sneller loopt (verhoogde pasfrequentie). Zo kun je je basissnelheid verhogen en je looptechniek verbeteren. Daarmee is intervallen een hele effectieve manier van trainen en een onmisbare aanvulling op korte loopjes en duurlopen.

Maar daarvoor moet je wel een beetje creperen. De laatste paar weken merk ik echter dat ik nog teveel energie over heb na een intervaltraining. Bij thuiskomst pak ik gelijk de afwas aan. Of begin ik het huis te stofzuigen. Of onkruid wieden in de tuin. Not good.

Wat deed ik dan meestal? Dat waren eigenlijk maar korte intervalletjes. Bijvoorbeeld 10 keer 30 seconden versnellen met 2 minuten rust tussendoor. Of ik maakte piramides door 30 seconden te versnellen, dan 60 en dan 90. En dan weer afbouwen: 90 seconden sneller, dan 60 en als laatste 30 seconden.

In mijn resultaten zie ik dat ik m’n hartslag er niet meer voldoende mee omhoog krijg. Terwijl dat juist het idee is van intervaltraining: trainen rond je omslagpunt (anaerobe drempel), zodat je sneller wordt. Of dat je gemiddelde hartslag daalt bij eenzelfde tempo. Daarom ga ik nu eens kijken hoe ik de intervallen kan opschroeven. Of het tempo moet omhoog, of de duur van de intervallen moet langer.

Het is vrijdagochtend als ik de deur uitstap. De lucht is grijs en het miezert een beetje. Maar het is niet koud, eerder klam. Ik neem me voor om 10 keer één minuut te versnellen afgewisseld met 2 minuten op mijn gewone tempo. Op mijn sporthorloge kan ik een intervaltimer instellen. Wanneer er een tempowisseling aankomt, begint ‘ie te piepen. Piep piep piep.

Het bevalt me wel. Op mijn horloge kan ik steeds even spieken hoe lang ik het tempo nog moet aanhouden. In beeld staat namelijk een klokje met een aflopende timer. Bij de tweede versnelling kom ik een bekende tegen en pauzeer ik even. Daarna maak ik de training netjes af. Twintig rondes heb ik in totaal gelopen, plus een warming-up met wat stretches en een minuut of tien uitlopen.

Grafiek intervaltraining
Grafiekje van mijn intervaltraining

Thuis voel ik me voldaan, maar nog niet heel moe. De komende tijd blijf ik experimenteren. Op zoek naar meer uitdaging. Misschien kan ik stevigere piramides lopen, verleng ik de versnellingen of laat ik ze elkaar sneller opvolgen. Of ik zoek kinderlijk plezier in fartlektraining (nee, dat is geen scheet maar Zweeds voor vaartspel). Keep you updated!

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s